Is Coronavirus lastig voor Coronabier van AB Inbev?

Is Coronavirus lastig voor Coronabier van AB Inbev?

Hoe reageer je als de media je bellen met de vraag of het Coronavirus van invloed is op de verkoop van Coronabier? Die vraag kreeg de brouwerij AB Inbev uit het Belgische Leuven voorgelegd die dit succesvolle biermerk in haar portefeuille heeft.

 

‘Er is geen enkel verband tussen het virus en het bier’, zei AB-Inbev-woordvoerder Laure Stuyck. ‘We kunnen geen commentaar geven op de impact op onze verkoop,’ zei ze ook nog. Ze deed duidelijk haar best om de zaak zo klein mogelijk te houden en dat was ook naar mijn overtuiging vanuit communicatieoogpunt de juiste keuze. Want als je in deze vlek gaat wrijven dan wordt die alleen maar groter. Toch vond ik haar reactie wat te defensief. Ze had er meer uit kunnen halen door vanuit de Coronabierdrinker te reageren.

Van inside-out, naar outside-in…

Doordat ze zei dat er geen enkel verband is tussen het virus en Coronabier, was haar reactie nogal inside-out. Ze vertrok met andere woorden vanuit de belangen van het bedrijf, terwijl ze beter vanuit de belevingswereld van de consument was vertrokken, in dit geval de Coronabierdrinker. Zo had ze bijvoorbeeld kunnen zeggen: “onze Coronabierdrinkers kennen en waarderen niet alleen de bijzondere smaak van ons Coronabier,maar ze zijn slim genoeg om te beseffen dat het virus niks te maken heeft met hun zo geliefde biermerk”.  Een outside-in-reactie dus.” Hiermee had ze bovendien een extra pluim op de hoed gezet van de Coronabierdrinkers. Want die heeft naast een goede smaak ook nog een behoorlijke dosis gezond verstand!

Zucht, weer eentje die veiligheid hoog in het vaandel heeft…

Outside-in denken in plaats van inside-out is ook in andere situaties sowieso een sterke manier om je punt te maken. Stel je eens de volgende situatie voor: er is een incident op je bedrijf waarbij diverse slachtoffers te betreuren zijn. Te vaak zie ik dan tijdens mediatraining of op het tv-journaal dat de woordvoerder keurig begint met het betuigen van het leedwezen naar de slachtoffers toe. Zo staat het immers in elk crisiscommunicatiehandboek keurig omschreven. Maar eigenlijk zouden woordvoerders dan juist wat minder op de automatische piloot moeten gaan. Want ik zou ze niet allemaal de kost willen geven die vervolgens verklaren dat ondanks alles  hun bedrijf de veiligheid hoog in het vaandel draagt. Als er s’-avonds in het journaal dan ook nog beelden achter zo’n statement geplakt worden van bloederige slachtoffers die onder het geloei van sirenes in ziekenwagens worden afgevoerd, dan zou ik zeggen: wie gelooft zo’n woordvoerder nog?

Draai de veiligheidsplaat niet nog grijzer

Zeg eerder iets in de trant van dat mensen die ’s-morgens bij je bedrijf komen werken, ’s-avonds gewoon gezond en wel weer naar huis moeten kunnen teruggaan. Dat je je ongelooflijk rottig voelt omdat dit vandaag niet gebeurd is. Dat je tot op het bot gaat uitzoeken waarom dit heeft kunnen gebeuren. En dat je alles zult ondernemen om dit nooit meer te laten gebeuren. In plaats van de gebruikelijke plaat nog grijzer te draaien door de verklaren dat je veiligheid hoog in het vaandel hebt, geef je zo op een outside-in-manier  op een veel empathischer wijze inhoud aan je veiligheidsboodschap.

Naschrift:

13 maart 2020- Toen ik dit blog medio februari 2020 schreef, stonden de beurzen nog bijna 40 % hoger en leek het Corona-virus nog een redelijk goed te managen bedreiging, zelfs in Italië. Nu het virus zich echt tot een wereldwijde pandemie heeft ontwikkeld en het momenteel wereldwijd dood en verderf zaait, denk ik persoonlijk dat het merk #Coronabier dusdanig ‘besmet’ is dat het nooit meer goed zal komen.

Over de auteur

Evert van Wijk woonde en werkte de voorbije 30 jaar afwisselend in Vlaanderen en Nederland. Hij is crisiscommunicatieadviseur, mediatrainer en auteur van verschillende boeken over mediatraining en debattechniek (www.mediatrainingbenelux.nl ). Ook schrijft hij boeken over cultuurverschillen tussen België en Nederland. www.cultuurverschillenbelgienederland.nl)

 

Wordt het niet eens tijd voor een goede mediatraining, meneer Rob Jetten?

Wordt het niet eens tijd voor een goede mediatraining meneertje Jetten? Die gedachte kwam bij mij op toen ik de kersverse fractievoorzitter van D66, Rob Jetten zag stuntelen tijdens een interviewtje met Frits Wester op Twitter. Nu worden vandaag de dag mensen als Jetten niet zonder een stevige mediatraining de politieke arena ingestuurd. Maar het heeft er alle schijn van dat de mediatrainer waarbij hij in de leer is geweest het toch ook niet helmaal snapt.

Tijdens mediatraining zeg ik altijd: praat nooit met de media als je geen verhaal hebt, want dan ben je een speelbal in de wind. Soms valt dat niet te voorkomen. Je komt uit een vergaderzaal en je wordt onverwacht overvallen door een journalist. Maar een goede mediatrainer leert een politicus of bedrijfsleider daarmee omgaan. Hij zal je ook vertellen dat het roepen van geen commentaar vaak de slechtste optie is, zoals u in dit filmpje ziet.
Omgaan met de media is vooral vlieguren maken
Hoofdrolspeler in dit filmpje is een duidelijk misnoegde burgemeester van Gent die bij de coalitieonderhandelingen werd ‘overvallen’ door de pers. Hij had ook gewoon even kunnen stoppen om vervolgens tegen de journalisten te zeggen: “ik snap dat u vragen hebt, maar u zult ongetwijfeld begrijpen dat ik de coalitieonderhandelingen niet via de media voer.” Om vervolgens met een vriendelijke lach af te sluiten en verder te lopen. Ik vraag me af waarom Jetten dat ook niet meteen heeft gedaan? Misschien heeft hij de adviezen van zijn mediatrainer iets te letterlijk genomen? Omgaan met de media leer je immers vooral door vlieguren te maken.
 
Omgaan met de media is soms simpeler dan je denkt. Breng een of twee keer je centrale boodschap en als je merkt dat de interviewer je daar niet mee weg laat komen, vertel dan gewoon, liefst met redenen omkleed, waarom je daar geen antwoord op gaat geven. Rob Jetten kwam pas op dat idee toen het kwaad als was geschied. Toen hij voelde dat zijn ‘robotica-antwoord’ groteske vormen begon aan te nemen.

Je staat er voor je eigen belang

Natuurlijk is het meedelen dat je onderhandelingen niet via de media voert, voor journalisten geen spannende tv. Maar daar moet je als politicus op dat moment lak aan hebben. Je staat er namelijk niet voor het format van de journalisten als Frits Wester, maar voor het belang van je partij en jezelf. Die twee dingen kunnen wel eens haaks op elkaar staan. Maar in die gevallen antwoord dan niet als een soort onnozelaar almaar naast de kwestie, of in het geval van de burgemeester van Gent op een knorrige manier. Want heeft u sympathie voor iemand die almaar voor de vragen duikt of geen commentaar gaat roepen?

Daarom zeg ik altijd tijdens mediatraining dat jij je moet realiseren dat die journalist ook zijn werk moet doen. Ook als het jou even niet uitkomt. Dat betekent dat je ook weet wat je moet zeggen als je ‘overvallen’ wordt. En heb je toch iets wat je graag voor de Bühne wilt brengen dan zijn er heel wat soepele manieren om dat empatischer en minder geforceerd aan te pakken. Vergeet een ding echter niet: een interview blijft een vraaggesprek met de nadruk op gesprek. Als je als een blind paard de vraag van de journalist uit de weg gaat en vervolgens niets ontziend je kernboodschap erin wilt rammen, dan verlies je het niet alleen bij de journalist maar vooral ook bij de kijker het respect.

Over de auteur

Evert van Wijk woonde en werkte de voorbije 30 jaar afwisselend in Vlaanderen en Nederland. Hij is crisiscommunicatieadviseur,  mediatrainer en auteur van verschillende boeken over mediatraining en debattechniek (www.mediatrainingbenelux.nl ). Ook schrijft hij boeken over cultuurverschillen tussen België en Nederland. www.cultuurverschillenbelgienederland.nl)

Wie stelt moet bewijzen

Toen ik enkele jaren geleden een Belgische premier een mediatraining gaf, vroeg hij mij hoe hij vragen als: “iedereen weet toch dat uw beleid niet goed is voor de economie van dit land”, het best kon pareren. “Niet moeilijk”, antwoordde ik hem. Zowel in het debat als tijdens een mediainterview geldt immers: wie stelt moet bewijzen. De enige uitzondering op die omgekeerde bewijslast is de Belastingdienst. Schiet dus niet meteen in de verdediging en zeg bijvoorbeeld dat je de situatie die de journalist in zijn vraag schetst niet herkent. Het is dan aan de journalist om met bijkomende bewijzen te komen. Doet of kan hij dat niet, dan heeft in dit geval niet de premier, maar de journalist een probleem.

“Ik hoor wat u zegt…”

Aan het bovenstaande moest ik als mediatrainer denken toen onlangs columniste Japke-d. Bouma op NPO-radio1 haar column voorlas. Ze zei dat als politici ergens van beschuldigd worden, dan zeggen ze vaak: “ik herken me niet in dat beeld’, of “ik heb daar een andere herinnering aan”. Andere varianten zijn: “ik hoor wat u zegt”, vooral bekend uit de mond van Bram Moszkowicz. Nog meer van dit soort zinnetjes van goed getrainde politici hierop zijn: “die uitspraak is voor uw rekening” of kort maar krachtig: “dat zijn uw woorden.” 

Wapenen tegen vraagvalkuilen

Net als Japke-d. Bouma in haar column hebben ook veel journalisten er de gruwelijke pest over in dat mediatrainers hun cliënten tegen dit soort vraagvalkuilen wapenen en dat is maar goed ook. Het is niet fair van een journalist om zonder speciale aanleiding iets in een vraag te insinueren wat niet aan de orde is. Dit met als doel zijn gesprekspartner op het verkeerde been te zetten.
Mijn tip aan mijn cliënt de premier bleek trouwens uitstekend te werken, want kort daarop kreeg hij in het Vlaamse tv-programma Terzake een insinuerende vraag in de trant van: “iedereen weet toch dat de verhoging van het inschrijvingsgeld voor universiteiten het onderwijsniveau in België op een achterstand zal brengen.”
Hierop antwoordde hij: “In uw vraag insinueert u dat dit zo is, maar waar baseert u deze veronderstelling op?” De journalist gaf zich niet meteen gewonnen en probeerde de premier te overbluffen door eraan toe te voegen: “sorry meneer de premier, maar ik ben degene die hier de vragen stelt en u bent degene die verondersteld wordt om die te beantwoorden.” 
Maar ook die reactie hadden we tijdens de mediatraining voorbereid. Op een vriendelijke doch dringende toon volhardde de premier in zijn standpunt en verduidelijkte dit door te zeggen: “sorry meneer de journalist, u kunt dit wel in uw vraagstelling suggereren, maar op basis van welke feiten berust die stelling die in uw vraag ligt? Ik vind toch dat ik op z’n minst het recht heb om dat te weten?”

Gratuite aannames in een vraag moet je niet zomaar accepteren

De journalist besefte dat de premier hier een punt had en dat die niet van plan was om te accepteren dat hij gratuite allerlei aannames als feitelijke juistheden in zijn vraag zou kunnen meenemen. Of zoals ik altijd pleeg te zeggen tijdens mediatraining en debattraining: “wie stelt, moet bewijzen…” 
Onthoud daarom één ding. In ons land is er maar één beroepsgroep en instantie die zich mag bedienen van een omgekeerde bewijslast en die wordt NIET gevormd door journalisten, maar enkel en alleen door de belastingdienst…